afwachten
/ˈɑfwɑxtə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) wachten op wat er gaat gebeurenZij zullen de uitslag moeten afwachten.De muren van mijn huis waren inmiddels getransformeerd tot wanden van een isoleercel waarin ik de eigenhandige voltrekking van mijn doodstraf afwachtte. Internet werd mijn redding.Je kon alleen maar afwachten wat er zou komen, waarschijnlijk iets wat te maken had met kapotgebombardeerde Duitse panden.
Vertalingen
Engelswait for, await
Fransattendre
Duitsabwarten
Spaansaguardar
Italiaansaspettare
Poolsodczekać
Deensafvente
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek