afzwering

vrouwelijk (de)/'ɑfswerɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het plechtig beloven iets niet meer te doen of te geloven
  2. het op een plechtige manier afstand doen van een eerdere belofte
    De afzwering van Filips II in het plakkaat trekt weliswaar de meeste aandacht, erkende Donner. Maar de échte reden voor de beslissing de oude vorst te verlaten, was omdat de Staten-Generaal een nieuwe landsheer hadden aanvaard: de Franse hertog van Anjou. Reformatorisch Dagblad Kees de Groot 27-07-2018 [https://www.rd.nl/vandaag/binnenland/donner-hang-onafhankelijkheid-nederland-niet-op-aan-plakkaat-van-verlatinghe-1.1503517 Donner: Hang onafhankelijkheid Nederland niet op aan Plakkaat van Verlatinghe]

Etymologie

* van afzweren

Vertalingen

Engelsrenunciation, abjuration