agenda
mannelijk/vrouwelijk (de)/aˈɣɛnda/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een notitieboek waarin afspraken genoteerd wordenJe moet nog een nieuwe agenda kopen.'Ik zal even in mijn agenda kijken - o, nee, nergens voor nodig.Ze had hem een agenda getoond waaruit bleek dat haar van hogerhand per week drie mannen werden toegewezen.
- een lijst van te bespreken punten op een vergaderingWe hebben vandaag een volle agenda.
- lijst van verplichtingen in het algemeenWaar ze wel meesterlijk in zijn geslaagd: de nieuwe wapenwedloop weer op de politieke en publieke agenda zetten.Het alleen zijn maakte me juist wakker. Wellicht was ik door mijn drukke agenda thuis wat mat en ingeslapen geraakt.
Etymologie
* uit het Latijn
Uitdrukkingen
- geheime agenda — een stiekem plan
Vertalingen
Engelsdiary, agenda, order of business
Fransagenda, ordre du jour, calendrier
DuitsNotizbuch, Terminkalender, Tagesordnung
Spaansagenda, orden del día
Poolsagenda
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek