agenda

mannelijk/vrouwelijk (de)/aˈɣɛnda/

Wat is de betekenis van agenda?

agenda betekent: een notitieboek waarin afspraken genoteerd worden

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een notitieboek waarin afspraken genoteerd worden
  2. een lijst van te bespreken punten op een vergadering
  3. lijst van verplichtingen in het algemeen

Voorbeelden van "agenda" in een zin

  • Je moet nog een nieuwe agenda kopen.
  • 'Ik zal even in mijn agenda kijken - o, nee, nergens voor nodig.
  • Ze had hem een agenda getoond waaruit bleek dat haar van hogerhand per week drie mannen werden toegewezen.
  • We hebben vandaag een volle agenda.
  • Waar ze wel meesterlijk in zijn geslaagd: de nieuwe wapenwedloop weer op de politieke en publieke agenda zetten.

Etymologie

* uit het Latijn

Uitdrukkingen

  • geheime agendaeen stiekem plan

Vertalingen

Engelsdiary, agenda, order of business
Fransagenda, ordre du jour, calendrier
DuitsNotizbuch, Terminkalender, Tagesordnung
Spaansagenda, orden del día
Poolsagenda