ahorn

mannelijk (de)/aˈhɔrᵊn/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bloemplanten (bloemplanten) een boom of heester van het geslacht Acer

Etymologie

*Ontleend aan het Duitse Ahorn.

Vertalingen

Engelsmaple, sycamore
Fransérable, érablier
DuitsAhorn
Spaansarce
Italiaansacero
Portugeesbordo
Deensløn