akela

vrouwelijk (de)/a'kela/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. leider van een groep welpen bij de padvinderij
    Die dag trouwde Hendrik Christiaan Gerard de Vries met Theuntje van der Wal - mijn ouders. Zij was zo te zien akela en hij hopman. Niemand kon vermoeden dat de erehaag van padvinders en verkenners betekende dat beiden later in hun leven spitsroeden zouden lopen. NRC Peter Yvon de Vries 2 september 2002
    'Laat mij maar, ik ben heel goed in spoorzoeken,' zegt ze als een gediplomeerd akela.

Etymologie

*uit het Hindi: eenzaam en alleen

Vertalingen

EngelsAkela, cub-mistress, cub-master