aki
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈaki/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (bloemplanten) bepaald soort tot 25 m hoge, groenblijvende boom, met een korte, tot 1,8 m brede stam, een grijze, bijna gladde schors en een brede, dichte kroon
- (spoorwegen) (historisch) (Nederland) beveiliging voor overwegen met rode lichten die als waarschuwing gaan knipperen als een trein nadertDeze simpele beveiliging zonder slagbomen werd van 1936 tot 2007 gebruikt op spoorwegovergangen met weinig verkeer.
Etymologie
*[2] letterwoord van automatische knipperlichtinstallatie
Vertalingen
Fransaki
Spaansakea, merey del diablo, seso vegetal
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek