aks

mannelijk/vrouwelijk (de)/ɑks/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. gereedschap (gereedschap) bijl met een lange steel en een smalle snede

Etymologie

*(erfwoord) via Middelnederlands "aex" / "akes" van Oudnederlands "akkus", in de betekenis van ‘bijl’ aangetroffen vanaf 901 Dit gaat evenals Nederduits Ääks, Duits Axt, Fries akse(bile), hakse(bile), Engels axe, Oudnoords øx en Gotisch aqizi terug op Oergermaans *akwesī.Guus Kroonen, Etymological Dictionary of Proto-Germanic, Leiden: Brill, 2013, blz. 19.