alpaca

mannelijk/vrouwelijk (de)/ɑlˈpaka/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. evenhoevigen (evenhoevigen) bepaald soort zoogdier, uit Zuid-Amerika uit de familie van de kameelachtigen ()
    In het Discovery Channel-programma Dirty Jobs werd er een uitzending gewijd aan de wol van de alpaca.
    Lama's, alpaca's en vicuña's grazen bij het water.
  2. wol gemaakt van de vacht van een alpaca
    Ik trok mijn blauwe alpaca jurk aan.
zelfstandig naamwoord
  1. licht weefsel, gemaakt uit de wol van alpaca's
    De kledingwinkel verkoopt truien in alpaca.
  2. metallurgie (metallurgie) een zilverkleurige metaallegering met als voornaamste bestanddelen koper, nikkel en zink
    Modelspoorbanen bestaan vaak uit alpaca omdat dit metaal goed bestand is tegen roesten, wat de productie van vonken beperkt.

Etymologie

*(n) [2]: van de Duitse merknaam "Alpaka"; dit merk, met als logo een alpaca, commercialiseerde als een van de eerste de legering nikkelzilver

Vertalingen

Engelsalpaca, nickel silver
Fransalpaga, maillechort
DuitsAlpaka, neusilber
Spaansalpaca, alpaca, alpaca
Italiaansalpacca
Portugeesalpaca, alpaca
Russischнейзильбер
Poolsalpaka, nowe srebro
Zweedsalpacka, nysilver
Deensnysølv