alpenbloem

vrouwelijk (de)/ˈɑlpə(n)ˌblum/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. benaming voor de bloeiende planten die vooral groeien in het hooggebergte tussen Italië en de rest van Europa
    In het bij de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde ondergebrachte Archief-Beets bevindt zich onder de rubriek ‘buitenlandse reizen’ een portefeuille met het opschrift ‘Zwitserland, 1861-1863’. Naast een met veel zorg gedroogde alpenbloem bevat het een toeristische folder van Giessbach am Brenzersee, een kaart van het Hotel des merciers à Fribourg waar de table d'hôte uitstekend verzorgd schijnt te zijn geweest, en een klein zwart boekje getiteld: ‘Zwitserland, 1861-1863’.

Etymologie

*, geschreven met een kleine letter volgens