alruin
mannelijk/vrouwelijk (de)/ɑlˈrœyn/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (bloemplanten) bepaald soort Zuid-Europese verdovende en bedwelmende overblijvende plant, uit de nachtschadefamilie (), die de giftige alkaloïden atropine en scopolamine bevat en vroeger werd gebruikt als narcoticum, pijnstiller en deels ook als hallucinogeen middel, onder meer in heksenzalf
- wortel van deze plant
Etymologie
*via Middelnederlands "alruna" van "alruna", in de betekenis van ‘mandragora’ voor het eerst aangetroffen in 1226
Vertalingen
Engelsmandrake
Fransmandragore
Spaansberenjenilla, lechuguilla, mandrágora
Portugeesmandrágora
Poolsmandragora lekarska
Zweedsalruna
Deensalmindelig alrune
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek