amateur

mannelijk (de)/ama'tør/

Wat is de betekenis van amateur?

amateur betekent: een persoon die iets als hobby doet, niet-beroeps vakman, niet-beroeps sporter

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een persoon die iets als hobby doet, niet-beroeps vakman, niet-beroeps sporter
  2. figuurlijk, pejoratief (figuurlijk) (pejoratief) iemand die onervaren is, prutser, knoeier
  3. verouderd (verouderd) beminder, minnaar

Voorbeelden van "amateur" in een zin

  • De amateurs mochten op zondag voetballen.
  • Ze was modiste, maar had, behalve het hoedenmaken, nog een ander beroep - hoewel meer als amateur dan beroepshalve - en in die tijd had ze een beschermer, Jean-Baptiste Toussaint.
  • Je lijkt wel een amateur met al dat geknoei.
  • Hij had zich als een amateur gedragen, maar hij kon zijn strategie aanpassen.

Etymologie

* [1] In de huidige betekenis van ‘beoefenaar uit liefhebberij’, ontleend aan Engels "amateur", eind 19e eeuw.

Vertalingen

Engelsamateur
Fransdillettante, amateur
DuitsAmateur
Spaansaficionado, diletante
Italiaansamatore
Poolsamator
Zweedsamatör