amateur
mannelijk (de)/ama'tør/
Wat is de betekenis van amateur?
amateur betekent: een persoon die iets als hobby doet, niet-beroeps vakman, niet-beroeps sporter
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een persoon die iets als hobby doet, niet-beroeps vakman, niet-beroeps sporter
- (figuurlijk) (pejoratief) iemand die onervaren is, prutser, knoeier
- (verouderd) beminder, minnaar
Voorbeelden van "amateur" in een zin
- De amateurs mochten op zondag voetballen.
- Ze was modiste, maar had, behalve het hoedenmaken, nog een ander beroep - hoewel meer als amateur dan beroepshalve - en in die tijd had ze een beschermer, Jean-Baptiste Toussaint.
- Je lijkt wel een amateur met al dat geknoei.
- Hij had zich als een amateur gedragen, maar hij kon zijn strategie aanpassen.
Etymologie
* [1] In de huidige betekenis van ‘beoefenaar uit liefhebberij’, ontleend aan Engels "amateur", eind 19e eeuw.
Vertalingen
Engelsamateur
Fransdillettante, amateur
DuitsAmateur
Spaansaficionado, diletante
Italiaansamatore
Poolsamator
Zweedsamatör
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek