Ambacht

onzijdig (het)/ˈɑmbɑxt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een handwerkvak dat vaak aanzienlijke vaardigheden vereist
    De timmerman beheerste het ambacht tot in de puntjes.
    Er was bovendien nul aandacht voor het ambacht van het schilderen en het beeldhouwen zelf.
    ' In tegenstelling tot Frederik had Linda er nooit aan getwijfeld dat wat ze deed een heus ambacht was.
  2. verouderd, geschiedenis (verouderd) (geschiedenis) het grondgebied of de landstreek, waarover de jurisdictie van een z.g. ambachtsheer zich uitstrekt (vnl in Holland, Zeeland of Vlaanderen) (b.v. Hendrik-Ido-Ambacht)

Etymologie

*Van Oudnederlands: ambehte, op zijn beurt een Keltisch leenwoord

Vertalingen

Engelshandicraft, trade
Fransmétier
Spaansoficio, señorío
Italiaansmestiere