ammonshoorn
mannelijk (de)/ˈɑmɔnsˌhorᵊn/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (buikpotigen) bepaald soort algemeen voorkomende slak,Maar al snel wordt ons duidelijk dat Berts echtgenote een uitmuntend slakkenzoekster is, die weldra met de eerste leuke vondst komt aanlopen: een gewone haarslak. Dan volgen al snel het boerenknoopje en het ammonshoorntje.
- (anatomie) voorste deel van de hippocampusVooral de omvang van de ammonshoorn en gyrus dentatis bleken te correleren met leeftijd.
Etymologie
*(eponiem), als leenvertaling van Latijn "Ammonis cornu", omdat de spiraalvorm van de schelpen doet denken aan de ramshoorns waarmee deze god in sommige tradities werd afgebeeld; geschreven met een kleine letter volgens
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek