anarchie

vrouwelijk (de)/ɑnɑr'xi/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het ontbreken van een geordend bestuur, regeringsloosheid
    Er zijn een paar staten in de wereld waar geen functionerende staat meer is en er een feitelijke anarchie is.
    Hier, op het platteland, heerst anarchie der dingen.
    Want zelfs hij, gepokt en gemazeld als hij was in het cynische New Yorkse zakenleven, had zich van tevoren onmogelijk een voorstelling kunnen maken van de totale anarchie die deze stad in haar beginjaren beheerste.
  2. wanorde
    In deze populistische partij is geen discipline, het is een totale anarchie, maar wel een gezellige anarchie.
  3. politiek, filosofie (politiek) (filosofie) samenleving die is gebaseerd op een van de richtingen van het anarchisme
    Liberijnen staan een soort van anarchie voor zonder dat ze het zo willen noemen.

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘regeringloosheid, wanorde’ voor het eerst aangetroffen in 1584

Vertalingen

Spaansanarquía