antieken
meervoud/ɑnˈtikə(n)/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- personen uit de antieke oudheid
- (figuurlijk) personen of zaken die in de loop van de tijd bewezen hebben van zeer groot belang te zijn geweestHij kent zijn antieken.
Etymologie
* afgeleid van "antiek" "uit de Oudheid"
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek