apotheek

vrouwelijk (de)/apo'tek/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. medisch (medisch) plaats waar men geneesmiddelen en andere gezondheidsproducten kan kopen
    Medicijnen die voorgeschreven zijn door de arts kun je ophalen bij de apotheek.
    Een bezoek aan haar huisarts en de apotheek.
  2. voorraad medicamenten
    Op vakantie heb ik een reisapotheek bij me.
    Die vrouw heeft een behoorlijke apotheek bij zich: pijnstillers, slaapmiddelen, antidepressiva, maagzuurremmers. Ik druk heel voorzichtig een ibuprofen uit de strip in de hoop dat ze het niet zal merken. Dan slik ik hem door met water en hoop op het beste.

Etymologie

*via het Latijn uit het Grieks,

Vertalingen

Engelspharmacy, drug-store
Franspharmacie
DuitsApotheke
Spaansfarmacia
Italiaansfarmacia
Portugeesfarmácia
Russischаптека
Chinees药房
Japans薬屋
Turkseczane
Poolsapteka
Zweedsapotek
Deensapotek