apotheek
vrouwelijk (de)/apo'tek/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (medisch) plaats waar men geneesmiddelen en andere gezondheidsproducten kan kopenMedicijnen die voorgeschreven zijn door de arts kun je ophalen bij de apotheek.Een bezoek aan haar huisarts en de apotheek.
- voorraad medicamentenOp vakantie heb ik een reisapotheek bij me.Die vrouw heeft een behoorlijke apotheek bij zich: pijnstillers, slaapmiddelen, antidepressiva, maagzuurremmers. Ik druk heel voorzichtig een ibuprofen uit de strip in de hoop dat ze het niet zal merken. Dan slik ik hem door met water en hoop op het beste.
Etymologie
*via het Latijn uit het Grieks,
Vertalingen
Engelspharmacy, drug-store
Franspharmacie
DuitsApotheke
Spaansfarmacia
Italiaansfarmacia
Portugeesfarmácia
Russischаптека
Chinees药房
Japans薬屋
Turkseczane
Poolsapteka
Zweedsapotek
Deensapotek
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek