apotheose
vrouwelijk (de)/ˌapoteˈjozə/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- slotstuk van een opvoering vertoond met veel pracht en praal
- verheffing van een sterveling tot het niveau van een god, vergoddelijking
Etymologie
*afgeleid van 'theos' (god)
Vertalingen
Engelsapotheosis
Fransapothéose
DuitsApotheose
Spaansapoteosis
Poolsapoteoza
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek