archimandriet

mannelijk (de)/ˌɑrximɑnˈdrit/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. in het Oosters christendom de benaming voor de overste van een klooster of van een groep kloosters (aartsabt)
    Tekenend voor het gebrek aan empathie met het gewone volk onder de landheren en hoge geestelijken zijn Tsjechovs verslagen van zijn bezoeken aan gravin Orlova-Davydova en de archimandriet van het schatrijke Davydovklooster, die iedere medewerking weigeren.

Etymologie

*via kerkelijk Latijn "archimandrita" van "ἀρχιμανδρίτης" (archimandrítès)