architect

mannelijk (de)/ˌɑrxiˈtɛkt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. beroep, kunst, bouwkunde (beroep) (kunst), (bouwkunde), iemand die gebouwen en constructies ontwerpt en de leiding neemt tijdens de bouw ervan
    De architect voelde zich meer een kunstenaar dan een technicus.
  2. ontwerper, bedenker van iets anders dan een gebouw
    De epidemioloog en architect achter de omstreden Zweedse corona-aanpak zegt dat er in zijn land meer gedaan had moeten worden om het virus aan het begin van de uitbraak te beteugelen.

Etymologie

*via "architecte" of direct via Latijn "architectus" van "ἀρχιτέκτων" (architéktoon) "bouwmeester", in de betekenis van ‘bouwmeester’ aangetroffen vanaf 1553

Vertalingen

Engelsarchitect
Fransarchitecte
DuitsArchitekt
Spaansarquitecto
Italiaansarchitetto
Russischархитектор
Turksmimar
Poolsarchitekt