Arena

mannelijk/vrouwelijk (de)/a'rena/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bouwkunde, sport, toneel (bouwkunde), (sport), (toneel) schouwtoneel, met meestal niet meer dan een zanderige bodem, waar bijv. sportwedstrijden, gevechten of circusvoorstellingen gehouden worden
    De dompteur betrad de arena met een fikse zweep in de hand en opende de kooi met de leeuw.
  2. figuurlijk (figuurlijk) achtergrond, setting waartegen iets zich afspeelt
    De politieke arena.

Etymologie

*van Latijn "arena"

Vertalingen

Engelsarena
Spaansarena