armlengte
vrouwelijk (de)/ˈɑrᵊmlɛŋtə/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- afstand ter grootte van een gestrekte armCohen merkt in een krantenartikel op dat soldaten met hun moentji in de barakken sliepen in kooien die niet meer dan een armlengte van de volgende man verwijderd waren en zonder enige afscheiding die ook maar de schijn wekte van privacy.
Uitdrukkingen
- op armlengte — onder handbereik, goed bereikbaar
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek