armoede

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈɑrəmude/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. economie (economie) de toestand waarin iemand leeft die zeer weinig middelen voor zijn levensonderhoud heeft
    De armoede van het gezin was schrijnend nadat beide ouders hun werk verloren.
    Armoede is een relatief begrip, de arme van nu leeft comfortabeler dan de rijke van 100 jaar geleden.
    De blik in zijn ogen hield het midden tussen gêne en schaamte. De wanstaltige gedaante van armoede die openlijk aan hem voorbijtrok was hier verantwoordelijk voor.

Etymologie

* uit het Oudnederlands

Vertalingen

Engelspoverty
Franspauvreté
DuitsArmut
Spaanspobreza, penuria
Italiaanspovertà
Poolsbieda