artisjok
mannelijk/vrouwelijk (de)/ɑrti'ʃɔk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (bloemplanten) (groente) een soort plant waarvan de vlezige schutbladeren van de gesloten bloemknop als groente worden gegetenHij concentreerde zich op het maken van taco’s en ik stortte me op een spinaziesalade, vol noten, geitenkaas en kip. Verder had ik ook artisjokken ingekocht en wat flessen witte wijn.
Etymologie
* Leenwoord uit het Italiaans, in de betekenis van ‘plant’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1573
Vertalingen
Engelsartichoke
Fransartichaut
DuitsArtischocke
Spaansalcachofa
Italiaanscarciofo
Zweedskronärtskocka
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek