aspic
mannelijk (de)/ɑsˈpɪk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (kookkunst) vlees- of visbouillon gebonden met gelatineSoms sta je het liefst een dagje in de keuken, je vult een kalfsborst, laat eieren zweven in aspic, rolt zelf dolma’s, fabriekt snoezige puddinkjes en bakt vormpjes van geraspte aardappel die dan weer gevuld worden met krab, appel en gember. Een andere keer is mijn lievelingseten inktvis en garnalen met harissa op voorwaarde dat ik al harissa gemaakt had want ik heb echt géén zin om een uur in de keuken te staan.
- (militair) (verouderd) bepaald type kanon waarmee kogels van 12 pond konden worden afgeschoten
- (reptielen) (verouderd) giftige slang
Etymologie
**[1] in de betekenis van ‘vlees- of visgelei’ voor het eerst aangetroffen in 1863
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek