atletiekbond

mannelijk (de)/ɑtlə'tiɡbɔnt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bond waaraan atleten zijn verbonden
    Vanaf dat moment trainden we bijna dagelijks, wij vijven, de laatst overgeblevenen; we werden de meisjes van Herr Janek, het eerste echte meisjesteam polsstokhoogspringen van de jeugdafdeling van de Canadese atletiekbond en ik omarmde het gretig; ik vond het fijn om na lange trainingssessies thuis te komen met zijn lovende kritiek nog in mijn hoofd, in bed nam ik mijn sprongen nog eens door, wat ik goed gedaan had en wat fout en waar ik harder aan moest werken om nog hoger over de lat te kunnen springen.