autokraak
mannelijk (de)/ˈɑutoˌkrak/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- inbraak in een auto om de auto zelf te stelenTwee Utrechtse mannen die na een autokraak op hun vlucht voor de politie bijna wegwerkers aanreden, moeten de cel in. De betrokkenen waren aan het asfalteren en konden net op tijd wegspringen voor de aanstormende auto. De rechtbank in Utrecht vindt dat er sprake is van een poging tot zware mishandeling. Reformatorisch Dagblad 06-03-2018 [https://www.rd.nl/vandaag/binnenland/celstraf-voor-inrijden-op-wegwerkers-1.1471690 Celstraf voor inrijden op wegwerkers]
- inbraak in een auto om waardevolle spullen uit de auto te stelenNederlandse vakantiegangers zijn het favoriete doelwit geworden van Italiaanse autokrakers. Het aantal ingetikte ruitjes van Nederlands gekentekende auto’s is in de afgelopen weken verdubbeld, aldus de alarmcentrale van Allianz Global Assistance. De Telegraaf 10 aug. 2017 [https://www.telegraaf.nl/nieuws/1364000/nederlandse-auto-s-favoriet-italiaanse-rovers Nederlandse auto’s favoriet Italiaanse rovers]
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek