avond
mannelijk (de)/ˈavɔnt/
Wat is de betekenis van avond?
avond betekent: (tijdrekening) periode die de overgang is tussen dag en nacht
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (tijdrekening) periode die de overgang is tussen dag en nacht
- (tijdrekening) tijd tussen het eind van de gewone werkdag en het naar bed gaan.
- dagdeel tussen de middag en de nacht, ongeveer van 18:00 tot 22:00 uur
- (meteorologie) dagdeel waarin daglicht plaats maakt voor duisternis
- activiteit die in de overgang tussen dag en nacht plaatsvindt
Voorbeelden van "avond" in een zin
- In de avond lezen we een boek bij kunstlicht.
- De middag en avond waren op dezelfde wijze als alle middagen en avonden na de begrafenis verlopen. Een broodmaaltijd, zappen naar actualiteitenprogramma’s en vroeg naar bed.
- Hannah tikte Geertje Rood aan, die zichtbaar schrok, en informeerde naar de twee kibbelaars, waarop ze te horen kreeg dat die al de hele avond druk in gesprek met elkaar waren.
- In de avond van 13 op 14 februari werd zij als vermist gemeld.
- De brandende lampion die de kinderen, op de avond van Sint Maarten, zingend langs de huizen dragen, de kerstboom, de suizende lichtpijlen als het nieuwe jaar begint en de hoge sprong over het vuur op het zomerfeest van Sint Jan.
Etymologie
*(erfwoord) via Middelnederlands "avont" van Oudnederlands "avont", in de betekenis van ‘tijd waarin de duisternis intreedt’ aangetroffen vanaf 901
Uitdrukkingen
- Men moet de dag niet prijzen voor het avond is. — pas als alles gedaan is kun je zeggen of het goed ging
- Hoe later op de avond hoe schoner volk
Vertalingen
Engelsevening
Franssoir
DuitsAbend
Spaanstarde
Italiaanssera
Russischвечер
Chinees晚上, 黄昏
Japans夕方, 日暮れ, 晩年
Turksakşam
Poolswieczór
Zweedskväll
Deensaften
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek