baai
mannelijk/vrouwelijk (de)/baj/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (geologie) een landinwaartse uitstulping van een zee of oceaanDe boottocht door de baai was echt fenomenaal!' Vanaf de beste tafel in het restaurant hebben we uitzicht over de baai.Zo zat ik daar, uitkijkend over de baai, met zinnetjes die deinden als de rustige golven van de zee.
- (textiel) bepaald soort weefsel, flanel
- bepaald soort krullende pijptabak
Etymologie
* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘inham’ voor het eerst aangetroffen in 1617
Vertalingen
Engelsbay
Fransbaie
DuitsBai, Meerbusen, Meeresbucht
Spaansbahía
Italiaansbaia
Poolszatoka
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek