baanbreker
mannelijk (de)/ˈbambrekər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (figuurlijk) iemand die nieuwe wegen en terreinen voor de maatschappelijke ontwikkeling, van kennis enz. ontsluit
- persoon die wegen opent voor anderenDe Imbroskloof is miljoenen jaren geleden ontstaan doordat een rivier zich een weg baande door de bergen van wit gesteente. Die rivier is er al lang niet meer, maar nu hebben we baanbreker Gijs.
- (militair) geniesoldaat
- iemand die probeert te overleven in tot nu toe niet geëxploreerde gebieden
Etymologie
* Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘wegbereider’ voor het eerst aangetroffen in 1858
Vertalingen
Spaanscolonizador, vanguardista, explorador
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek