baanbreker

mannelijk (de)/ˈbambrekər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. figuurlijk (figuurlijk) iemand die nieuwe wegen en terreinen voor de maatschappelijke ontwikkeling, van kennis enz. ontsluit
  2. persoon die wegen opent voor anderen
    De Imbroskloof is miljoenen jaren geleden ontstaan doordat een rivier zich een weg baande door de bergen van wit gesteente. Die rivier is er al lang niet meer, maar nu hebben we baanbreker Gijs.
  3. militair (militair) geniesoldaat
  4. iemand die probeert te overleven in tot nu toe niet geëxploreerde gebieden

Etymologie

* Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘wegbereider’ voor het eerst aangetroffen in 1858

Vertalingen

Spaanscolonizador, vanguardista, explorador