baba

/baˈba/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. kookkunst (kookkunst) rond cakeje, gedrenkt in een zoete alcoholische drank
    Baba met smaken van citrus en kruiden is het recept van de winnaar van het Franse kampioenschap ‘plated desserts’ 2018: Francois Josse.
  2. (Suriname) heer van Hindostaanse afkomst
    Niet onvriendelijk - ‘wij kennen u al zo lang, baba, en kijkt u nu eens wat wij vinden’ - schoof de douanechef een metalen pijp met een doorsnede van zo'n tien centimeter over het bureaublad naar hem toe en trok er vervolgens een fles rum uit.
zelfstandig naamwoord
  1. (Nederlands-Indië) Chinese man (zowel aanspreekvorm en aanduiding)
    De Chinees vroeg Charles zelf te spreken, al buigende, verlegen lachende, in zijn krom Maleis, of meneer het niet zo kon schikken, voor één keer maar, hij was niet klaargekomen met de lading, zijn contract, Singapore, alle schade! (…) Charles keek hem aan. ‘Baba, wat is dat nu? Waarom vraag je zo iets van mij; na acht uur, poekoel boem, niet meer uitvaren en afgelopen.

Etymologie

*bába van "baba"