baboe

vrouwelijk (de)/'babu/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. beroep (beroep) een Indische of Indonesische vrouwelijke kinderoppas of bediende
    Zij schold op de baboe, zij duwde de kinderen weg, zij brak een waaier... Louis Couperus, De boeken der kleine zielen, p. 151

Etymologie

* Leenwoord uit het Indonesisch, in de betekenis van ‘kindermeisje’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1859