badderen

/ˈbɑdərə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. zich in het water van een bad of vijver vermaken
  2. zich zwemmend en spelend baden
    Rattlesnake klom de steile kloof in om onder aan de waterval te badderen.
  3. dierkunde (dierkunde) het met veel gespetter nemen van een bad in water of stof door vogels
    In het fijne zand zijn de mussen lekker aan het badderen.

Etymologie

*(freqtt) baden