badhanddoek

mannelijk (de)/'bɑthɑnduk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. sanitair, textiel (sanitair), (textiel) grote handdoek gemaakt van badstof om (delen van) het lichaam af te drogen na het wassen
    Zittend op de grond, tegen de muur - met een badhanddoek als kussen - probeer ik te lezen, maar ik kan mijn aandacht er niet bijhouden.

Vertalingen

Engelsbath towel