bakken
/ˈbɑkə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov), (kookkunst) voedsel bij hoge temperatuur in een oven of pan verhitten, meestal met wat olie of boterOliebollen bakken hoort echt bij oudejaarsavond.Maar terwijl die Pieten speelgoed maken, pepernoten bakken en alles klaarmaken voor de volgende reis naar Holland, trekt Sinterklaas op zijn paard door de hoge Spaanse bergen, op zoek naar een nieuw Pietje.Die nacht droomde hij over Jamila die in doorschijnend negligé in de keuken zijn spiegeleitjes stond te bakken.
- (ov), (materiaalkunde) klei of aarde sterk verhitten om er stenen voorwerpen van te makenHij bakte potten.De Romeinen wilden dat ze potten zouden bakken voor een feest.
werkwoord
- (erga) (onderwijs) (informeel) zonder succes examen doen
Etymologie
*[B]: vermoedelijk uit de uitdrukken zakken als een baksteen
Uitdrukkingen
- Er niets van bakken — Ergens totaal niet in slagen
- Het al te bruin bakken — te erg maken
- Hij is bakkeran of hij is bak an
- Iemand een kool stoven ( of bakken)
- Iemand een poets bakken — een grap met iemand uithalen
- Iemand een poets spelen ( of bakken)
- Iemand iets bakken
- Met de gebakken peren (blijven) zitten — voor de moeilijkheden opdraaien
Vertalingen
Engelsbake, fry
Franscuire
Duitsbacken
Spaanscocer, freír, hornear
Poolspiec
Deensbage
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek