balans

mannelijk/vrouwelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. evenwicht.
    De docente moest duidelijk nog haar balans vinden tussen zorgvuldig werken en veel te lang werken.
    Door een verstoorde balans tussen de grootmachten is de kans op een oorlog toegenomen.
    ‘Ik ben gelukkig vast in dienst. Voor mijn baas is deze situatie uiterst vervelend. Veel bedrijven moeten nu een balans gaan zoeken tussen geld blijven verdienen en de veiligheid. Vandaag gaan we ook bekijken hoe we het vanaf volgende week gaan doen met het werk.’
  2. een meetapparaat met twee armen (bedoeld om het verschil te kunnen meten)
    Met een balans kun je wegen hoe zwaar iets is, aan de ene kant leg je het te wegen voorwerp, aan de andere kant doe je gewichten met een bekend gewicht.
  3. economie (economie) een volledige opsomming van de waarde van alle bezit en alle tegoeden en schulden meestal aan het einde van een boekjaar
    Op het eind van het jaar proberen winkeliers de winkel zo leeg mogelijk te hebben dan is het opmaken van de balans eenvoudiger.
    Toen ze plaatsnamen aan het ene uiteinde van de buitenproportionele vergadertafel knipte ze plechtig het slot open van haar zwarte aktetas met het gouden logo en haalde de documenten eruit, het kwartaalrapport en de balans, die ze snel uitdeelde.

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘evenwicht’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1806

Uitdrukkingen

  • Uit balans zijn. Uit de normale ritme van handelen.
  • De balans opmaken. Achteraf kijken hoe alles is voltrokken.

Vertalingen

Engelsbalance, balance, balance
Franséquilibre, balance
DuitsBalance, Gleichgewicht, Waage
Spaansbalanza, báscula
Italiaansequilibrio, bilancia, bilancio
Russischвесы
Japans均衡, バランス, 秤
Arabischميزان, رصيد
Turksterazi, kantar
Poolsrównowaga, waga
Zweedsbalans, jämvikt, jämviktsläge