balata
mannelijk (de)/ba'lata/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (bloemplanten) een plant uit de familie van de . Het verspreidingsgebied is Guyana, Suriname, Frans-Guyana, Venezuela, Noord-Brazilië en de Antillen. De boom komt verspreid in de oerwouden voor met een gemiddelde dichtheid van één boom per hectare. Het hout van deze boom is in Nederland vooral bekend onder de naam
- rubber, bestaande uit een mengsel van melksap en hars, product van de balataboom of boletrieboom
Etymologie
* Leenwoord uit het Caribische indianentaal, in de betekenis van ‘rubbersoort’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1899
Vertalingen
Engelsbalata
Spaansbalata
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek