balorigheid

vrouwelijk (de)/ba'lorəxhɛɪt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de neiging om op een vrolijke manier stuurs en tegendraads te zijn
    Zijn balorigheid hangt me de keel uit.
    Ik was zo ongeconcentreerd dat de leraren het zagen en me uit pure balorigheid vragen stelden zodat ik of ging staan en lijdend voorwerp antwoordde wanneer het naamwoordelijk deel van het gezegde moest zijn of me moest verontschuldigen omdat ik de vraag niet had gehoord.

Etymologie

*Afgeleid van balorig .