balsa

onzijdig (het)/ˈbɑlsa/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bloemplanten (bloemplanten) boomsoort uit tropisch Amerika
    Snelle groeiers zijn bijvoorbeeld kapok en balsa, banaan en papaya.
  2. materiaalkunde (materiaalkunde) zeer lichte houtsoort, afkomstig van
    Als schooljongen staarde Gerard Rutten (64) naar de luidruchtige militaire vliegtuigen die het luchtruim boven de Nijmeegse Ooypolder als oefengebied gebruikten, werd lid van een luchtvaartclub en bouwde er van balsa en papier zijn eerste zweeftoestellen.

Etymologie

*via "balsa" "boomsoort, lichte houtsoort" van "balsa" "vlot"