Balsemien

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˌbɑlsəˈmin/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bloemplanten (bloemplanten) benaming voor planten uit het geslacht behorend tot de tweezaadlobbigen
    Gerritsen laat hop welig tieren tussen bomen en struiken, een stuk bos mag verwilderen tot het eiken-hulstbos dat hier in de oertijd groeide, balsemien kreeg de status van borderplant en een grote brandnetel staat subtiel te pronken in een Spaanse pot.[https://www.nrc.nl/nieuws/1999/09/25/groene-stijlkamers-7463806-a182598 Groene stijlkamers], NRC Handelsblad, 25 september 1999

Etymologie

* Leenwoord uit het modern Latijn, in de betekenis van ‘plantengeslacht’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1663

Vertalingen

Engelsbalsam
Spaansbalsamina