band
mannelijk (de)/bɑnt/
Wat is de betekenis van band?
band betekent: (techniek) ringvormige omhulling van iets anders, vooral dienend voor de uitwendige bescherming
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (techniek) ringvormige omhulling van iets anders, vooral dienend voor de uitwendige bescherming
- breed koord, langwerpige strook
- (muziek) groep muzikanten die een bepaald muzikaal repertoire ten gehore brengt
- (sociologie) relatie 2, meestal niet amoureus
- (spel) de binnenrand van een biljarttafel
- (telecommunicatie) frequentieband
- (techniek) een langwerpig lint waarop informatie, geluid of beeld kan worden vastgelegd, meestal magnetisch
Voorbeelden van "band" in een zin
- Die auto heeft een lekke band.
- Een hoepel is een band om een ton.
- Om niet te vallen had hij een band om zijn middel geknoopt.
- Terwijl haar blik heen en weer schoot, bedekten de vingers van haar linkerhand het plastic bandje om haar pols.
- Ze pakte de twee bandjes en liet deze door haar vingers glijden. ‘Lance Armstrong is ermee begonnen,’ zei Jeroen ineens. ‘Je kent ze wel, die gele bandjes.
Etymologie
* Leenwoord uit het Duits (zie Band) in de betekenis van ‘boekdeel’, als zodanig voor het eerst aangetroffen in het jaar 1734
Uitdrukkingen
- Door de band genomen — In het algemeen
- Uit de band springen — Gekke dingen doen die normaal gesproken achterwege zouden blijven
- garen en band
- :Benodigdheden voor het naaien
- via de band spelen (of: over de band spelen)
Vertalingen
Engelstyre, tire, band
Franspneu
DuitsReifen, Band, Band
Spaansllanta, neumático, banda
Russischоркестр, ансамбль
Koreaans밴드, 그룹, 악단
Poolszespół muzyczny, grupa muzyczna
Zweedsband
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek