band

mannelijk (de)/bɑnt/

Wat is de betekenis van band?

band betekent: (techniek) ringvormige omhulling van iets anders, vooral dienend voor de uitwendige bescherming

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. techniek (techniek) ringvormige omhulling van iets anders, vooral dienend voor de uitwendige bescherming
  2. breed koord, langwerpige strook
  3. muziek (muziek) groep muzikanten die een bepaald muzikaal repertoire ten gehore brengt
  4. sociologie (sociologie) relatie 2, meestal niet amoureus
  5. spel (spel) de binnenrand van een biljarttafel
  6. telecommunicatie (telecommunicatie) frequentieband
  7. techniek (techniek) een langwerpig lint waarop informatie, geluid of beeld kan worden vastgelegd, meestal magnetisch

Voorbeelden van "band" in een zin

  • Die auto heeft een lekke band.
  • Een hoepel is een band om een ton.
  • Om niet te vallen had hij een band om zijn middel geknoopt.
  • Terwijl haar blik heen en weer schoot, bedekten de vingers van haar linkerhand het plastic bandje om haar pols.
  • Ze pakte de twee bandjes en liet deze door haar vingers glijden. ‘Lance Armstrong is ermee begonnen,’ zei Jeroen ineens. ‘Je kent ze wel, die gele bandjes.

Etymologie

* Leenwoord uit het Duits (zie Band) in de betekenis van ‘boekdeel’, als zodanig voor het eerst aangetroffen in het jaar 1734

Uitdrukkingen

  • Door de band genomenIn het algemeen
  • Uit de band springenGekke dingen doen die normaal gesproken achterwege zouden blijven
  • garen en band
  • :Benodigdheden voor het naaien
  • via de band spelen (of: over de band spelen)

Vertalingen

Engelstyre, tire, band
Franspneu
DuitsReifen, Band, Band
Spaansllanta, neumático, banda
Russischоркестр, ансамбль
Koreaans밴드, 그룹, 악단
Poolszespół muzyczny, grupa muzyczna
Zweedsband