bandeloosheid
vrouwelijk (de)/bɑndə'loshɛɪt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- het bandeloos zijnDe bandeloosheid van de huidige jeugd zal wel niet anders zijn dan de bandeloosheid van de vroegere jeugd.
Etymologie
* afgeleid van bandeloos
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek