bangbroek
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈbɑŋbruk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (pejoratief) persoon die zich te veel door angst laat leidenBij alle kritiek die zelfs in deze hongerzomer op hem mogelijk blijft - het is onmiskenbaar dat hij Tine in de steek heeft gelaten en wel eens geld van goedgeefse vrienden krijgt zonder haar te laten meedelen - steekt hij toch gunstig af bij de collega-schrijvers met wie hij in aanraking is en die niet te beroerd zijn om (op hun voorwaarden) iets voor hem te doen: de sluwe Van Lennep, de berekenende Van Vloten, de fatsoenlijke maar terughoudende Potgieter en de o zo voorzichtige bangbroek Busken Huet.
Etymologie
*, als spotnaam ("Mevrouw Bangbroek") aangetroffen in 1731 [https://www.delpher.nl/nl/boeken1/gview?query=bangbroek&coll=boeken1&identifier=4appAAAAcAAJ De examinator of de Hollandsche zeedenmeester, waar in de vlekken der zeeden deezer eeuw op eene stigtelijke wijze voorgestelt zijn (1731) Abraham Ambrullaard, Leiden]; p. 229; geraadpleegd 2019-10-07
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek