Barnsteen

/'bɑrnsten/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. plantkunde (plantkunde) fossiele hars (van de den ) die tot de halfedelstenen wordt gerekend

Etymologie

* Leenwoord uit het Nederduits, in de betekenis van ‘harde hars, amber’ voor het eerst aangetroffen in 1315

Vertalingen

Engelsamber
DuitsBernstein
Spaanscárabe, simetita, succino