barok
mannelijk/vrouwelijk (de)/ba'rɔk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een 17e eeuwse kunststroming die er naar streeft grootste, dramatische momenten en beweging uit te drukkenBij de barok zijn de voorstellingen altijd vreselijk theatraal, bijna hysterisch.
Etymologie
afgeleid van het Portugese barroco (rots van graniet; onregelmatige parel)
Vertalingen
Engelsbaroque
Fransbaroque, baroque
DuitsBarock
Spaansbarroco
Italiaansbarocco
Russischбарокко
Poolsbarok
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek