baroktuin

mannelijk (de)/baˈrɔktœyn/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. tuinieren (tuinieren) omheind stuk grond waar planten in symmetrische vormen zijn geplant en gesnoeid, zoals dat mode was in siertuinen uit de 17e eeuw
    Willem en Mary waren allebei verzot op tuinen. In Nederland hadden ze bij jachtpaleis Het Loo al een spectaculaire baroktuin laten aanleggen onder toezicht van Hans Willem Bentinck, naar een ontwerp van de Franse tuinarchitect Daniel Marot.