barrière

mannelijk/vrouwelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. begrenzing, bescherming, belemmering
    Zijn lage opleiding vormde een barrière voor zijn verdere promotie.
    Wij moesten stoppen want de brokstukken van het ongeluk vormde een barrière.
    Ik legde mijn handen op de marmeren brugleuning en keek neer op het gewemel op het groenblauwe water, dat eerder een levensader was dan een barrière.

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘versperring’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1650

Vertalingen

Engelsbarrier
Fransbarrière
Spaansbarrera
Portugeesbarreira