bashoorn

mannelijk (de)/ˈbɑshorᵊn/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. blaasinstrument met een lage toon
    Na het geblaf van de honden klonk het jachtsignaal voor een wolf, gegeven door de bashoorn van Danilo; de hele meute voegde zich bij de voorste drie honden, en het ineenvloeiende gejank van de honden klonk op met die bijzondere uithalen die erop wijzen dat ze achter een wolf aanjagen.