basishouding

vrouwelijk (de)/'bazɪshɔudɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de essentie van de opstelling en gedragslijn
    En dus werd de concurrentiemodus zijn basishouding, niet alleen tegenover mij, maar gaandeweg tegenover de meeste mensen, om te verhullen dat hij alleen mij uit het voetlicht probeerde te houden.