bazooka

mannelijk (de)/baˈzuka/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. buisvormige raketwerper dienend als anti-tankwapen
    De drie mannen met de grootste camera’s, denk: maatje bazooka, hebben vandaag géén trapje bij zich. „Geen plek in de auto”, zegt Jeroen van Veenendaal (31) uit Veenendaal. „Wij hadden onze Taiwanese vriend mee.” NRC Thomas Rueb 24 mei 2016

Etymologie

* genoemd naar een tromboneachtig muziekinstrument van Bob Burns