bedde
/ˈbɛdə/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (verouderd) datief van bed(…) een wreed opkomende griep heeft mij ter bedde neergesmakt (…)
werkwoord
- (verouderd) enkelvoud verleden tijd van beddenHij bedde zich opnieuw in het lome gevoel van behagen en sliep weer in.
- (verouderd) aanvoegende wijs van beddenZo ik opvoer ten hemel, Gij zijt daar; of bedde ik mij in de hel, zie, Gij zijt daar.
Etymologie
*bed met de uitgang -e
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek